De Zwarte Ooievaar
( Ciconia nigra nigra )


Het originele document kan u inkijken op de site "Biodiversité"

Orde: Ooievaarsachtigen

Familie: Ciconiidae

Grootte:
totale lengte : 95-100cm, omvang : 185-205cm.

Gewicht:
ongeveer 3 kg.

Identificatie:
volwassen vogels : steltloper waarvan kop, hals, borst, rug en vleugels gitzwart zijn. De rest van de veren zijn sneeuwwit. Bek en poten zijn rood. Als de vleugels opengeslagen zijn, is de onderkant zwart met een witte driehoek aan de basis van de vleugels. Tijdens de vlucht is de hals gestrekt. Jonge vogels : de donkere delen zijn aan de bruin-zwarte kant en hebben nog niet de gitzwarte kleur van de volwassen vogels. Zolang de vogels nog in het nest zitten, vertonen bek en poten een gele kleur. Als de vogels na 3 maanden uitvliegen, is het geel in beige, roos veranderd. De éénjarige ooievaar lijkt op een volwassen ooievaar, alleen zijn de kleuren minder uitgesproken.
Verwante soorten : er is verwarring mogelijk met de Witte Ooievaar en de Kraanvogel (leeft meer in groep en maakt meer lawaai), vooral tegen het licht in. De Blauwe Reiger met een grauwgrijze kleur, vliegt met de hals in s-vorm, waarbij de kop op de hals rust. Soms vliegt hij met gestrekte hals maar in tegenstelling tot de Zwarte Ooievaar vertoont hij niet het zwart-wit contrast.

 

Sporen van aanwezigheid
De Zwarte Ooievaar laat weinig sporen na, maar is te herkennen door afdrukken in modder of op losse grond langs rivieren en vijvers. In tegenstelling tot de Blauwe Reiger (in het midden), de Grijze Kraanvogel (rechts), is de achterste teen weinig ontwikkeld.
Ook een enorm nest, gebouwd in een gevorkte tak van een dik bebladerde boom in het bos, duidt op zijn aanwezigheid.
De Zwarte Ooievaar maakt weinig lawaai.

 

Eetgewoonten

Er is nog weinig informatie over streekgebonden eetgewoonten. Vissen (hoogstens 20 cm lang) maken dikwijls in gewicht het grootste deel uit van het voedsel. AmfibieÎn vormen een ander belangrijk element en het menu wordt vervolledigd met kleine zoogdieren, reptielen, schaaldieren en insekten.

 

Woongebied

In tegenstelling tot de Witte Ooievaar die voorkomt op het platteland en in uitgestrekte weiden, houdt de Zwarte Ooievaar vooral van bossen. Hij nestelt zich het liefst in oude bossen waar weinig mensen komen. Zijn nest bouwt hij in een hoge boom dichtbij een open plek (hellingen, plaatsen met weinig vegetatie) waardoor hij gemakkelijk tot bij de boom kan. Zijn jachtterrein strekt zich uit van smalle rivieren tot moerasachtige vijvers en weiden met een korte begroeiing. De koppels bevinden zich op een afstand van een tiental kilometers van elkaar, de hoogste dichtheid werd waargenomen in Oost-Europa, 8 koppels/100 km2.

 

Voortplanting

  • Voortplantingssysteem : monogaam, de koppels zijn nogal trouw.
  • Territoriaal gebied : Eén van de volwassen vogels blijft bij het nest of in de buurt totdat de jongen ongeveer twee weken oud zijn. Het koppel verdedigt het nest en de nabije omgeving. Ze jagen in een straal van 5-10 km rond het nest.
  • Ligging en kenmerken van het nest : het nest is enorm en bereikt gemakkelijk een doorsnede van 1,5 m en een dikte van 1 m. Het bevindt zich op een dikke zijtak of in een gevorkte tak van de boom op een hoogte van12 tot 25 m. Vooral de eik is erg in trek, soms wordt voor het nest ook wel een beuk gekozen. Het koppel bouwt samen het nest, daarvoor gebruiken ze soms achtergelaten nesten van roofvogels. Hetzelfde nest kan verschillende jaren na elkaar gebruikt worden als het op een rustige plek gelegen is.
  • Eileggen en productievermogen : 3-5 eieren (uitzonderlijk 2-6), die om de 2 dagen gelegd worden, de Zwarte Ooievaar broedt eenmaal per jaar. In BelgiÎ (WalloniÎ) gewoonlijk 3-4 jongen, soms zelfs 5.
  • Broedtijd : 35-38 dagen, door beide vogels.
  • Opvoeding van de jongen : 63-71 dagen in het nest, daarna 1-2 weken in de nabije omgeving, namelijk op de grond.
  • Geslachtsrijp : 3jaar.
  • Levensduur : Te weinig gegevens, waarschijnlijk meer dan 20 jaar.

 

Geografische verspreiding

Nestbouw

In Europa

Polen, de Balkanlanden en het westen van het GOS vormen het voornaamste voortplantingsgebied in Europa. Meer naar het westen toe, broedt de ooievaar in Duitsland, Frankrijk, de Benelux en Scandinavië. Eerst vestigen zich enkele geïsoleerde koppels, daarna krijg je kleine concentraties van koppels in voor de vogels gunstige streken zoals de Ardennen, Lotharingen en de Bourgogne. Door de uitroeiing van hun soortgenoten elders in West-Europa, raakten de Zwarte Ooievaars op het Iberisch schiereiland geïsoleerd.

 

Trek en overwintering

De Zwarte Ooievaar is een trekvogel die overwintert in West-Afrika (Senegal, Mali). De meeste jongen zullen hun eerste zomer in Afrika doorbrengen, na het eerste jaar komen meer en meer jongen tijdens de zomer naar de streek waar ze geboren zijn. Op het Iberisch schiereiland maakt slecht een deel van de ooievaars een jaarlijkse trek. De ooievaars uit de warmere streken blijven namelijk ter plaatse

 

Nestingbouwers

Europa/E.U.
De Zwarte Ooievaar komt in Europa minder voor dan de Witte Ooievaar. We tellen 2600 tot 3000 koppels waarvan 250 tot 300 in de EEG : Frankrijk 10-20, Groothertogdom Luxemburg 1-5, Duitsland 40-50, enz.

Tendens
In de loop van deze eeuw werd opgemerkt dat in de meeste West-Europese landen zich steeds meer ooievaars kwamen vestigen : Oostenrijk vanaf 1938, Duitsland (Beieren)1947, Frankrijk 1976, Luxemburg en België in de jaren 80, Denemarken 1989. In België, vooral in Walloniëwordt er vanaf de jaren 70 meer en meer aan observatie gedaan. Vanaf 1982 brengt een toenemend aantal ooievaars de zomer door in België en bestaan er de eerste vermoedens van nestbouwing. Het is mogelijk dat de Zwarte Ooievaar zich hier al voor 1989 heeft voortgepland, het jaar waarin voor het eerst een nest werd waargenomen .

 

Bedreigingen

De terugkeer van de Zwarte Ooievaar is Èen van de belangrijkste ornithologische gebeurtenissen van de laatste jaren. Deze terugkeer is in de eerste plaats te wijten aan de bescherming van de ooievaars in Europa, aan de instandhouding van talrijke woudgebieden die in de loop van de afgelopen eeuw op een natuurlijke manier konden evolueren. Ook de bescherming van vochtige of semi-vochtige gebieden is een niet te onderschatten factor die tot deze terugkeer heeft geleid.

Toch blijven de ooievaars blootgesteld aan heel wat gevaren waardoor hun uitbreiding in onze gebieden afgeremd wordt.

  • Wandelaars, nieuwsgierige natuurliefhebbers, fotografen zijn een storend element voor de ooievaar. Ook bosontginning in de omgeving van ooievaarsnesten verhoogt het risico op nestachterlating ;
  • Rieel gevaar op kapotmaken of verzamelen van ooievaarseieren (die dikwijls verward worden met de eieren van de Blauwe Reiger, trouwens ook een beschermde soort!) ;
  • Nestverlies door het omhakken van bomen wat leidt tot een daling van het aantal geboortes van de Zwarte Ooievaar ;
  • Aantasting van het woongebied van de Zwarte Ooievaar doordat valleien worden beplant met naaldbomen waar voordien eiken en beuken stonden, en door vijvers die in de valleien worden aangelegd. Vochtige weiden worden drooggelegd en verontreinigd door ongezuiverd rioolwater.

 

Beschermd statuut

Europese Unie
Bijlage 1 van richtlijn 79/409/EEG : Maatregelen om het woongebied te beschermen worden verplicht. Bijlage 2 van de Conventie van Bern (19 september 1979) : verbintenis tot bescherming van het leefmilieu. Bijlage 2 van de Conventie van Bonn (24 juni 1982) : Nationale verdragen zijn nodig voor de instandhouding van de soort en het behoud van zijn leefmilieu. Bijlage 1 van de Conventie van Washington (CITES) : wereldwijd verbod tot handel in en bezit van ooievaars..

 

Speciale maatregelen voor instandhouding

De uitbreiding van deze symbolische vogel in onze streken zal bevorderd worden door ;

  • Controle zodat het gebied en zijn omgeving van maart tot juli (voortplanting, broeiperiode, jongen) met rust wordt gelaten. Indien nodig worden speciale beperkingen opgelegd waardoor verplaatsing in bossen wordt bemoeilijkt ;
  • Verbod of uitstel van het omhakken van bomen waarin nesten werden waargenomen. Ook moeten alle werkzaamheden in het bos beÎindigd zijn voor 1 maart, in die gebieden waar ooievaars hun nesten bouwen ;
  • Bewustmaking van de publieke opinie (vooral in landbouwgebieden en onder vissers) van het ecologisch belang van de terugkeer van de ooievaars ;
  • Instandhouding van het woongebied, zelfs daar waar reeds speciale beschermingsmaatregelen (Richtlijn EEG/79/409) in gebruik waren, door een einde te maken aan de beschadiging van vochtige gebieden (zie bedreigingen).


Wilt u er meer over weten...

Cramp,S. (1977). (hoofdredacteur) en medewerkers - Handbook of the Birds of Europe, the Middle East and North Africa. Vol. 1. Ostrich to Ducks. Oxford University Press, Oxford-New York.

Géroudet, P. (1978). - Grands Échassiers, Gallinacés, Râles d'Europe. Delachaux et Niestlé, Neuchâtel-Lausanne-Paris.

Glutz von Blotzheim, U. & Bauer, K. (1966). - Handbuch der Vogel Mitteleuropas. Band 1. Gaviiformes-Phoenicopteriformes. Akademische Verlagsgesellschaft, Frankfurt am Main.

Mériaux, J.-L., Schiere, A., Tombal, C. & Tombal J.-C. (1991). - Actes du colloque international «Les Cigognes d'Europe». Metz 3-5 juni 1991. Institut Européen d'Écologie et A.M.B.E.

Overal, B. & Jacob, J.P. (1989). - Un événement attendu en Belgique: la preuve de la reproduction de la Cigogne noire (Ciconia nigra) en Belgique. Aves 26: 122-126.

Pierre, P. (1988). - Statut actuel de la Cigogne noire (Ciconia nigra) en Wallonie. Aves 25: 183-189. sui

Jadoul, G. (1998). - Cigogne noire. Uitzonderlijk nummer van Science & Nature science.et.nature@wanadoo.fr.vre

Jadoul, G. (1994). - La Cigogne noire : chronique d'un retour annoncé.
Uitgeverij Perron, Alleur (Luik).


Illustraties
J.-S. Rousseau

Fotografie
G. Jadoul

Uitgegeven door
Service de la Conservation de la Nature et des Espaces verts van het Ministerie van het Waalse Gewest (1995)

Verspreiding
Service Documentation et Communication de la Direction Générale des Ressources Naturelles et de l'environnement 15, Avenue Prince de Liège - 5100 - Namen.